Uiterlijk

Schofthoogte:

reu 65 – 70 cm, teef 61 – 68 cm.
respectieve ideale maten:
67 en 65 cm.

Beharing:

De Beauceron heeft zogenaamd stokhaar, de vacht is hard en kort, vaak licht golvend, met onder het dekhaar een zeer korte ondervacht, fijn, dicht en zacht en bij voorkeur muisgrijs. De vacht op het hoofd is kort, op de romp 3 tot 5 cm lang, de dijen en onderkant van de staart zijn licht bevederd.

Oren:

In Nederland en andere landen met een coupeerverbod gaaf, hangend gedragen en andere landen zonder coupeerverbod, door couperen rechtopstaand gedragen.
In Frankrijk is m.i.v. 1-5-2004 het couperen verboden (zie website France Beauceronclub, artikel 10).

Gewicht:

30 – 50 kilogram.

Kleuren:

Tweekleurig zwart met rode aftekening (black and tan), alsmede driekleurig (arlequin), grijs en zwart met roodbruine aftekening.

Hubertusklauwen:

dubbele Hubertusklauwen aan de achterbenen.

Algemeen:

Een hond van groot formaat, stevig, rustiek, fors, goed gebouwd en gespierd, zonder plomp te zijn. De Beauceron moet een duidelijke herdershondenuitdrukking hebben. Het hoofd is bepalend voor het beeld van het ras. Een goed besneden hoofd , hoogaangezette, niet te grote, vlak liggende, beweeglijke oren, een geringe stop, een donker kastanjebruin oog, gesloten en droge lippen, een zwarte neus en een compleet schaargebit zijn daarvan de belangrijkste onderdelen. De bouw van de “Berger de Beauce” is die van een middellange hond, dat wil zeggen harmonisch gebouwd zonder overdrijving. De hals moet gespierd en vloeiend overgaan in de schouders, het hoofd moet fier worden gedragen. De staart behoort laag en in de vorm van een J te worden gedragen. Er is een mooie, stevige ronde en gesloten voet vereist.